
De coronacrisis is goed beschouwd niet één crisis, maar kent 3 deelcrises. De eerste is natuurlijk de volksgezondheidscrisis, het gevolg van de COVID-19 pandemie. De tweede is de psychologische crisis, als gevolg van de ‘epidemie van angst en onzekerheid’. De derde is de economische crisis: het gevolg van de beide voorgaande crises en de maatregelen die in het kader daarvan zijn genomen. Alle 3 de crises beïnvloeden elkaar. Bij het denken over interventies en scenario’s moeten we daarom deze 3 deelcrises in hun onderlinge samenhang en interactie bezien.
Voor het omgaan met de psychologische crisis is de kennis in het veld ijzingwekkend dun
Voor de gezondheidscrisis kunnen we daarvoor putten uit de epidemiologische modellen en de kennis van instanties als de WHO en het RIVM. Voor het omgaan met de economische crisis kunnen we putten uit de ervaring die we tussen 2008 en 2014 hebben opgedaan. Voor het omgaan met de psychologische crisis is de kennis in het veld echter ijzingwekkend dun. Er is enige kennis hierover verzameld in de kolom van de crisiscommunicatie, maar werkelijk brede, toepassingsgericht kennis over (massa)psychologische mechanismen en patronen die in een situatie als deze belangrijk zijn is dun gezaaid. In het veiligheidsbeleid van de afgelopen decennia hebben we steeds wel gezégd dat we het veiligheidsgevoel in de samenleving belangrijk vonden, maar hebben we daar maar beperkt naar gehandeld: het werd veelal als te complex en te glibberig gezien om ook maar enige eer aan te behalen.
We rommelen bij het tegengaan van de epidemie van angst en onzekerheid maar wat aan
Dus – excusez le mot – rommelen we bij het tegengaan van de epidemie van angst en onzekerheid maar wat aan, waarbij we vertrouwen op onze intuïtie en ons gezonde boerenverstand. Het vervelende is: de mechanismen en patronen in de veiligheidsbeleving van het publiek zijn nogal eens contra-intuïtief. En verlopen helemaal niet zoals ons boerenverstand ons ingeeft. Zij zijn bijvoorbeeld sterk afhankelijk van doelgroep en context en kunnen soms precies in het omgekeerde resulteren van wat we beogen. Interventies vragen daarom om een doordachtere aanpak en een steviger onderbouwing dan thans het geval is.
Die noodzaak zien we bijvoorbeeld in de mate waarin het publiek zich aan de gedragsadviezen houdt. Ja, uit onderzoek weten we dat een beroep op angst (fear appeal) in een situatie als deze bij een groot deel van de bevolking (ten minste enig) effect heeft. We weten echter ook, dat de handelingsadviezen dan nog veel specifieker moeten zijn dan tot nu toe het geval was. En dat zo’n beroep alleen werkt bij mensen die daadwerkelijk angst voelen. Dan moeten we er ons niet over verbazen dat zo’n fear appeal nu bij jongeren niet zo’n effect heeft: zij hebben immers steeds te horen gekregen dat zij niet – of hooguit een beetje – ziek worden. We weten ook dat de ‘breedspectrumbenadering’ die nu gekozen is geheel voorbij gaat aan psychologische mechanismen of conflicterende belangen die bij een deel van de bevolking opvolging van de adviezen in de weg staan. Dan moet je dus een breedspectrumbenadering kiezen die bij iedereen werkt – zoals een striktere lockdown – óf een aanpak die veel scherper gericht is op verschillende segmenten van de bevolking. Als we daar nog de tijd en mogelijkheid voor hebben.
Zo’n scherpere benadering is niet alleen nodig in het kader van de indamming van het virus, maar óók om sociale spanningen te voorkomen. Elkaar op asociaal gedrag aanspreken heeft dan niet zoveel zin: beter nadenken over hoe we zorgen dat de boodschap van sociale afstand bij iederéén landt wel.
We hebben daarom een razendsnelle inhaalslag te maken op onze kennis van de psychologische dimensie van de coronacrisis. Gelukkig laat een snelle scan van de lessen van de SARS-epidemie van 2002-2003 zien dat de publieke reacties tijdens die epidemie grote overeenkomsten vertoonden met wat we – wetenschappelijk – al weten uit andere situaties van substantiële dreiging. Zoals bij chronisch terrorisme en criminaliteit. Daarmee lijken dezelfde mechanismen en patronen aan het werk. Het toeval wil dat ik de afgelopen tijd net in zelfverkozen isolatie zat om mijn proefschrift Understanding and addressing perceptions of security in the 21st century af te ronden. Waarin ik precies die mechanismen en patronen op een rij zet, inclusief wat dat betekent voor publiek fear management. Het afronden van een proefschrift lijkt me nu echter nét even minder belangrijk dan het samen goed doorkomen van deze crisis.
Zijn er andere wetenschappers of experts met vergelijkbare activiteiten bezig, laat het weten!
Om crisisteams en scenaristen te ondersteunen heb ik daarom in de afgelopen dagen allereerst een mindmap opgesteld van de mogelijke doorwerking van de angstepidemie in de samenleving. We moeten bij epidemieën van angst en onzekerheid als deze namelijk rekening houden met wat ik de Zeven Plagen van Ervaren Onveiligheid noem: maatschappelijke effecten op het gebied van (1) preventie, bescherming en beveiliging (2) welzijn, (3) mobiliteit en gebruik van voorzieningen, (4) sociaal klimaat, (5) economie, (6) criminaliteit en veiligheid, (7) houding ten opzichte van bestuur en beleid. De mindmap geeft een compact (eerste) overzicht van de effecten waarop we in de huidige pandemie moeten anticiperen. Verdiepingen zullen volgen. Ik zal daarbij ook ingaan op de fasen die de publieke reacties mogelijk door zullen maken. De (schaarse) literatuur die ik daarbij gebruik over de specifieke situatie tijdens epidemieën verzamel ik – met mijn onderzoeksgroep – in een database, die wij via het freewareprogramma Mendeley gaarne delen met iedereen die hiermee geholpen is. Ten slotte: zijn er andere wetenschappers of experts met vergelijkbare activiteiten bezig, laat het weten! Dan kunnen we elkaar versterken. <<
Marnix Eysink Smeets is Lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid bij de Hogeschool Inholland, Rotterdam.
De auteur is bereikbaar voor vragen en discussies via e-mail: marnix.eysinksmeets(at)inholland.nl.