Jeugdcriminaliteit: slechts drie interventies effectief
Welke interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden, werken nou écht? Promovenda Puck Meulen onderzocht aanpakken die door het Nederlands Jeugdinstituut zijn erkend. Haar opvallende conclusie: in Nederland zijn slechts drie programma’s aantoonbaar effectief. “De kracht van de beste interventies schuilt in de multimodale aanpak.”

Een gestolen scooter, online oplichting, een steekpartij: jeugdcriminaliteit in Nederland kent veel vormen, van lichte diefstallen tot ernstig geweld. Het aantal jonge daders is sinds 2008 bijna gehalveerd, maar de laatste jaren stagneert die daling. Jeugdcriminaliteit blijft een serieus probleem.
Geen stevige wetenschappelijke basis
Er bestaan tientallen interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden. Hulpverleners proberen jongeren op het rechte pad te houden met gesprekken, gedragstrainingen en activiteitenprogramma’s. Maar veel van deze aanpakken missen een stevige wetenschappelijke basis. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) checkt preventieve gedragsinterventies op effectiviteit, en certificeert ze als ze veelbelovende resultaten laten zien. Voor haar promotieonderzoek (zie kader) bekeek Puck Meulen de 26 interventies in de database van het NJi die focussen op preventie van jeugdcriminaliteit. “We hebben gekeken naar NJi-gecertificeerde gedragsinterventies met eerste aanwijzingen voor effectiviteit én die in Nederland op hun werking zijn onderzocht. Zes interventies voldeden aan die criteria. Die hebben we geanalyseerd. Er is gemeten of jongeren na de interventie criminaliteit hebben gepleegd.”
Wie is Puck Meulen?
Bij de Open Universiteit in Heerlen doet Puck Meulen promotieonderzoek naar criminele carrières van jongeren. Het is een brede studie naar hun criminele loopbaan: hoe raken ze betrokken bij criminaliteit, hoe ontwikkelen ze zich, en hoe kan betrokkenheid worden voorkomen? De meta-analyse naar de effectiviteit van interventies om jeugdcriminaliteit te voorkomen, maakt deel uit van haar promotieonderzoek. Daarover publiceerde ze een Engelstalig artikel.
Zie hier de originele meta-analyse van Meulen.
Concreet nam Meulen de volgende zes programma’s onder de loep: Sociale Vaardigheden op Maat, Agressie Regulatie op Maat, Alleen jij bepaalt wie je bent, TOOLS4U, Multidimensionele familietherapie (MDFT) en Multisysteem Therapie (MST). Uit haar studie blijkt dat alleen de eerste drie echt goed werken. Sociale Vaardigheden op Maat en Agressie Regulatie op Maat zijn het meest effectief. Alleen jij bepaalt wie je bent, een programma dat sport inzet om jongeren structuur, een veilige en positieve vrijetijdsbesteding en ondersteuning te bieden, werkt ook, maar iets minder sterk.
Preventie met Gezag
Puck Meulen doet haar promotieonderzoek in het kader van Preventie met Gezag (PmG). Dit programma moet voorkomen dat jongeren van 8 tot 27 jaar in de ondermijnende criminaliteit terechtkomen of daarin verder afglijden. 27 gemeenten, waaronder Heerlen, doen er structureel aan mee. Samen met politie, onderwijs, jeugdwerk, zorg en welzijn werken ze aan het vergroten van weerbaarheid tegen de verleidingen van criminaliteit, het creëren van toekomstperspectief als alternatief voor een criminele carrière én het stellen van duidelijke grenzen. Dat gebeurt via begeleiding bij school, werk en talentontwikkeling en door stevig op te treden bij bijvoorbeeld spijbelen en risicogedrag.
De programma’s werken ook goed omdat ze aansluiten bij wat de jongere nodig heeft
De kracht van de twee beste interventies schuilt volgens Meulen onder meer in de multimodale aanpak. “Ze combineren verschillende vormen van behandeling en begeleiding. Denk aan gesprekken, cognitieve gedragstherapie, ervaringsgerichte oefeningen en mindfulness-gebaseerde training. Jeugdcriminaliteit is complex en heeft vaak meerdere oorzaken, zoals gedragsproblemen, problemen in de thuissituatie of verkeerde vrienden. Door verschillende dingen tegelijk aan te pakken, is er een grotere kans dat de aanpak ook echt werkt.” Zo’n gecombineerde aanpak ontbreekt bijvoorbeeld in TOOLS4U, dat zich uitsluitend op sociale vaardigheden van de jongere richt. Door die eenzijdige benadering is het programma nauwelijks succesvol: veel jongeren belanden na de interventie alsnog in de criminaliteit.
De programma’s werken ook goed omdat ze aansluiten bij wat de jongere nodig heeft. Daarbij maken ze gebruik van het RNR-model: risk-need-responsivity. “Dit model zorgt ervoor dat de hulp die je geeft past bij het risico en de behoeften van een persoon”, legt Meulen uit. “Een intensief programma kan bijvoorbeeld goed werken bij de ene jongere, maar niet passen bij een andere.”
‘Er komenu0026nbsp;steeds weer nieuwe, vaak slecht onderbouwde interventies op de markt’
Het is belangrijk dat programma’s uitgevoerd worden zoals ze bedoeld zijn, stelt Meulen. “Als het protocol van een gedragsinterventie bijvoorbeeld voorschrijft dat er zes maanden lang elke week een sessie van twee uur nodig is, houd je dan daaraan. Als je ervan afwijkt, verlaagt dat de kans op succes.” Al hangen resultaten volgens de onderzoeker niet alleen af van de aanpak zelf. “De praktijk leert dat de kwaliteit van de uitvoerders heel bepalend is. Zij moeten bekwaam en goed opgeleid zijn.”
Evidence-based aanpak nodig
Meulen adviseert professionals om de drie interventies te gebruiken die volgens haar onderzoek effectief zijn gebleken, en die nauw af te stemmen op het individu. Ze noemt het opvallend dat van de vele interventies die er zijn, maar drie door het NJi gecertificeerd zijn én echt blijken te werken. Daarom pleit ze voor een sterkere evidence-based aanpak. “Veel programma’s die nu ingezet worden, missen een wetenschappelijke onderbouwing. Dat is risicovol. Een interventie kan probleemgedrag ook erger maken. Dat is het laatste dat je wilt.”
‘Het zou goed zijn als er wereldwijd één grote database komt met interventies’
Er is een goede samenwerking nodig tussen praktijk en wetenschap, zegt ze. “Er komen nu steeds weer nieuwe, vaak slecht onderbouwde interventies op de markt. Professionals worden met mooie woorden overtuigd om die te gebruiken. Het is beter om wetenschappelijk bewezen effectieve interventies in te zetten, of om de effecten te onderzoeken van veelbelovende, theoretisch goed onderbouwde programma’s. Op basis van de uitkomsten kun je die verder ontwikkelen. Het landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies, de databank effectieve jeugdinterventies van het NJi en het RNR-model bieden daarvoor goede richtlijnen.”
Wat maakt een interventie succesvol?
• Behandeling volgens het RNR-model. Effectieve programma’s stemmen de intensiteit af op het risiconiveau en de behoeften van de jongere.
• Lang genoeg behandelen. Trajecten van zes maanden of langer leveren duidelijk betere resultaten op dan kortdurende programma’s.
• Programmatrouw. Interventies moeten worden uitgevoerd zoals ze bedoeld zijn, door goed getrainde professionals.
• Focus op algemene delinquentie. Programma’s die zich richten op criminaliteit in het algemeen werken beter dan interventies die zich beperken tot één type criminaliteit. De oorzaken liggen meestal breder dan dat.
• Steun op bewijs en kwaliteitskaders. Sluit aan bij het landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies, de databank effectieve jeugdinterventies van het NJi en het RNR-model. En monitor de voortgang van trajecten. Alleen zo kun je onderbouwen dat een interventie werkt en bijsturen als dat nodig is.
Leren van het buitenland
Minder experimenteren dus, en meer investeren in wat écht werkt. Daarbij is het ook goed om over de grenzen te kijken. “In andere landen zijn veel meer kwalitatief hoogwaardige effectiviteitsstudies gedaan dan bij ons”, aldus Meulen. “Programma’s die in het buitenland bewezen effectief zijn, kunnen ook in ons land goed werken. Mogelijk dienen ze wel aangepast te worden aan de Nederlandse context. Het zou goed zijn als er wereldwijd één grote database komt met interventies. Dan kunnen landen van elkaar leren, en hoeft niet iedereen opnieuw het wiel uit te vinden.” <<
Nabrander van Puck Meulen: na het verschijnen van haar meta-analyse kwam er nog een studie uit van Menting en anderen (2024) die een veelbelovende interventie beschrijft. Deze vind je hier.
Vragen over het onderzoek? Neem contact op met puck.meulen@ou.nl



Laat een reactie achter