Hoewel het aantal geregistreerde steekvoorvallen met tieners de laatste jaren stabiel ligt tussen de 50 en 70 per jaar, is de zorg daarover door ernstige incidenten sterk toegenomen. Dat leidde in 2020 tot een Actieplan Wapens en Jongeren. Dat is bedoeld als een hernieuwde poging om het wapenbezit bij jongeren terug te dringen, waar dat eerder gebeurde met bewustwordingscampagnes en inleveracties. Speciale acties werden voorzien van subsidie door het Rijk en toegepast in 20 gemeenten, met als belangrijk doel het terugbrengen van het aantal wapenincidenten met jongeren met 25 procent. 

Geconstateerd wordt dat er zijn geen effectmetingen zijn verrichtu0026nbsp;

Is dat gelukt? Afgelopen januari verscheen een evaluatie van de plannen en wat daarmee is bereikt. Vastgesteld wordt dat de afgesproken acties doorgaans ook zijn uitgevoerd, zoals het verzorgen van voorlichting op scholen en wapeninleveractie, naast het beter zicht krijgen op welke jongeren een risico vormen. Maar ook wordt geconstateerd dat er geen effectmetingen zijn verricht en niet nader onderzoek is gedaan naar doelgroepen. Conclusie is dat vanwege het gebrek aan focus het erop lijkt dat er meer ‘een schot hagel’ is afgeschoten dan dat gericht is ingezet op de bestaande risico’s. In een brief reageren de minister van Justitie en Veiligheid en de minister voor Rechtsbescherming op deze evaluatie. Zij spreken het voornemen uit om, voortbordurend op de evaluatie, verdere lessen te trekken om tot een effectieve aanpak van (steek)wapenbezit onder jongeren te komen. Kunnen we op basis van de reeds beschikbare ervaringen en onderzoeken al iets meer zeggen over de risicogroepen en de mogelijk effectieve maatregelen? 

Verreweg de meeste scholieren willen niets met wapens van doen hebbenu0026nbsp;

Slechts een kleine minderheid van de jongeren in ons land geeft aan een wapen bij zich te dragen − dit lijkt door de tijd ook niet toe te nemen. Uit Rotterdams onderzoek onder scholieren komt dit ook naar voren. Verreweg de meeste scholieren willen niets met wapens van doen hebben. Degenen voor wie dat niet geldt, zien (steek)wapens vooral als middel om zich als dat nodig is te kunnen verdedigen. Dit beeld van de motieven voor steekwapenbezit komt overeen met bevindingen in het Verenigd Koninkrijk. Daar komt specifiek bij om ‘erbij te horen’ en om status op te bouwen binnen een jeugdbende. Het laatste duidt op ‘normalisatie’, het dragen van een steekwapen als vanzelfsprekend binnen bepaalde groepen omdat iedereen dat doet. Ook het Rotterdamse onderzoek duidt hierop. Het dragen van een wapen, of nog sterker het gebruik daarvan, blijkt gekoppeld aan ‘de straatcode’, waar men vele ook wapenbezittende vrienden heeft.  

Een internationaal overzicht naar de risicofactoren voor messenmisdaad wijst op de rol van een onstabiele, negatieve gezinssituatie. Dit komt ook naar voren uit de Rotterdamse studie. Wellicht is dat mede de reden dat men zich meer betrokken voelt bij en beïnvloed wordt door leeftijdsgenoten ‘op straat’ en dat dus de straatcode domineert in het gedrag. Dit betreft vooral het messenbezit, voor het daadwerkelijk gebruik daarvan lijkt dat meer voor te komen bij impulsieve personen en bij hen die genotsmiddelen gebruiken. Met deze risicofactoren is er de neiging wapenbezit te zien als een complex maatschappelijk en persoonlijk probleem, waar met intensieve en meervoudige actie vooral preventief tegen opgetreden moet worden, zo menen ook politiemensen uit het VK.

Het gebruik van moderne media ter ontmoediging van wapenbezit lijkt niet werkzaam

Wat zou dan effectief kunnen zijn? Het gebruik van moderne media ter ontmoediging van wapenbezit lijkt niet werkzaam. Ook blijkt dat benaderingen als preventief fouilleren, onbestrafte wapeninleveracties, mediacampagnes en instellen van avondklokken niet erg effectief zijn. Mogelijk kan het met hulpverlening verbeteren van de vaak ongunstige opvoedingssituatie van jongeren een rol spelen. Dan kan de binding van en het toezicht op de jongeren toenemen zodat ze minder tot criminaliteit neigen. En als ouders daarin niet actief willen meewerken, zo meent de regering en menige burgemeester, dan moeten ze daartoe worden gedwongen door maatregelen in de sfeer van financiële sancties en via het strafrecht. Betwijfeld kan worden of dit effectief zal uitwerken, mogelijk zal die dit zelfs contraproductief uitwerken.

Meer effect, zo indiceert de literatuur, valt te verwachten van een betere maatgerichte toegang te bieden tot huisvesting, opleiding en werk. Dit laatste, gecombineerd met een op de ernstige risicogevallen toegespitste afschrikking (de wortel-en-de-stok-aanpak, ‘pulling levers’), zou wel eens de meest vruchtbare benadering kunnen zijn. Een dergelijke op meerdere aspecten gerichte aanpak lijkt in het algemeen bij veel delinquente jongeren tot meer en langdurige positieve effecten te kunnen leiden. Dat zou een goede benadering kunnen zijn voor de gemarginaliseerde groep die ook vatbaar is voor andere delictsvormen (zoals van het uithalen van drugscontainers). 

Het dragen van wapens is vaak onderdeel van de straatcode

Een dergelijke benadering gaat uit van het bestaan van een langdurige problematiek. De vraag is echter of dit voor het messenprobleem van jongeren voldoende toegespitst is. Kenmerkend is namelijk dat het dragen van wapens in sterke mate leeftijdsgebonden is en doorgaans van tijdelijke aard. Het is een adolescentenkwestie die haar hoogtepunt zowel in het VK als in Rotterdam bereikt op 15-jarige leeftijd. Daarna daalt de problematiek sterk. Ook is kenmerkend dat het dragen van messen vaak onderdeel is van de straatcode, en dus een cultureel groepskenmerk vormt. Dit is kennelijk in de mode gekomen, en bij groepen jongeren min of meer genormaliseerd als gewoon onderdeel van de straatcultuur. We kunnen het messenbezit dan mogelijk zien als een epidemie, waarin steeds opnieuw bij met name 13- à 14-jarigen besmetting plaatsvindt van de gedachte dat een steekwapen nodig en normaal is. 

Kennelijk is nu sprake van een vrij hoog ‘reproductiegetal’ in de (relatief kleine) groep jongeren die zich vooral op medejongeren op straat oriënteert. Wellicht is het dan vruchtbaar om de energie te richten op de potentiële aanwas van 12- tot 14-jarigen, zoals door te focussen op beïnvloeding door eventuele rolmodellen in de straatcultuur. <<

Bert Berghuis is voormalig raadadviseur bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. Hij is beschikbaar voor vragen en discussies via de redactie, e-mail: secondant@hetccv.nl.